Arbeid

Met wet- en regelgeving wordt ons steeds duidelijker ingepeperd dat wij moeten werken. Wie geen baan kan vinden en moet leven van een uitkering wordt weggezet als een profiteur of mislukkeling. Wie geen werk heeft, loopt het risico gecriminaliseerd te worden. Participeren in arbeid is tegenwoordig een plicht in plaats van een recht. Overheidsinstanties zoals de sociale dienst worden uitgerust met krachtige onderdrukkingsmiddelen, zoals het korten op uitkering in naam van de “voordeurdelersnorm”. Maar werken biedt tegelijkertijd steeds minder bestaanszekerheid. Een vaste baan met een stabiel inkomen is voor steeds minder mensen bereikbaar. Vooral lage inkomens staan onevenredig onder druk. De lastenverlichting, vermindering van belasting op arbeid, die in 2016 is doorgevoerd, levert hen geen verlichting op. Lage inkomens worden daarnaast onevenredig getroffen door verdringing van betaald werk door participatiebanen. De uitkering voor eenoudergezinnen wordt gekort als één of meer van de kinderen 18 worden. De overheid gaat ervan uit dat je vanaf 18 jaar of een studie volgt en met een lening een inkomen verkrijgt, of dat je werkt. Deze “voordeurdelersnorm” is de nieuwe zweep in de bureaucratie.

Voor arbeidsongeschikten is de deur naar de WIA nagenoeg dicht, wie nog maar enige ‘loonwaarde’ heeft zal werken, zo schrijft de overheid voor. Of je genoeg verdient om huis, gezin en leven van te betalen, dat is niet langer de zaak voor de overheid. Dat regelt ‘de markt’.

Als werkvee worden we de werkvloer opgejaagd. Onder druk gezet, de levenskracht tot de laatste druppel uitgeperst om zoveel mogelijk winst te kunnen creëren. Winst die niet voor ons is, maar ons slinks uit handen wordt gespeeld in het voordeel van de topmanager, de CEO, de aandeelhouder en het financieel kapitaal is. Die ongelijke verhouding weigeren we uit de grond van ons hart. We eisen volwaardig werk, fatsoenlijke beloningen en de kans om ons bestaan op te bouwen. Wij werken om te leven en niet andersom.